CIW, wat houdt dat in? (blok 3, jaar 2)

Net zoals ik dat hier eerder deed, zal ik opnieuw een verslag schrijven over de vakken die ik in het afgelopen blok gevolgd heb bij mijn studie Communicatie- en Informatiewetenschappen. Elk jaar bestaat uit vier blokken en inmiddels is er een einde gekomen aan het derde blok (wauw, de tijd gaat echt zo snel). Wat vond ik van de cursussen? Wat heb ik geleerd? Wat kan beter? Zoals te zien is achter de kopjes ‘Persoonlijke beoordeling’, heb ik best een leuk blok achter de rug. Ik weet niet of dit artikel interessant is voor iedereen, maar voor mezelf is het in ieder geval een fijne reflectie.

Communicatie, Emotie en Overtuigingskracht:
Hoort bij: het vak is onderdeel van het vier vakkenpakket uit het blokje Communicatiestudies. Dat klinkt een beetje vaag, aangezien het woord ‘communicatie’ ook in de naam van mijn studie voorkomt. Communicatiestudies is één van de vier richtingen die je kunt kiezen bij het vrije major deel van mijn opleiding (de andere keuzes zijn: Film & Televisie, Digitale Media en Interculturele Communicatie). Kort samengevat gaat het over de psychologische kant van communicatie, voornamelijk met betrekking tot teksten (tekstuele communicatie). Ik krijg bijvoorbeeld allerlei schema’s voorgeschoteld die me proberen te vertellen hoe wij als mens door teksten overgehaald worden om een bepaalde overtuiging of houding aan te nemen. Zoals ik in mijn vorige artikel beschreef, behoorde ook het vak Communicatie, Cognitie en Begrijpelijkheid (uit blok 2) bij dit vakkenpakket.
Inhoud: bij CEO werd uitgelegd op welke manieren mensen teksten kunnen behandelen en hoe dit vervolgens invloed heeft op de manier waarop mensen overtuigd worden door een tekst. In de cursus zijn ons enorm veel inslaghoeken gegeven, ik zal hier een klein onderdeel van de verkregen informatie behandelen (anders wordt dit stuk echt véél te lang). Er zijn twee verwerkingswegen: centrale verwerking (ook wel hoge elaboratie, ELM) en perifere verwerking (ook wel heuristische verwerking, HSM). Bij centrale verwerking weegt de lezer alle argumenten van een tekst zorgvuldig tegen elkaar af, waarbij er een stabiele interpretatie van de tekst gemaakt kan worden. Wanneer de maker van een tekst verwacht dat de lezer centraal zal gaan verwerken, moet hierop ingespeeld worden door het bijvoorbeeld lastig voor de lezer te maken om tegenargumenten te kunnen geven. Centrale verwerkers zijn namelijk geneigd om sneller tegenargumenten te geven dan perifere verwerkers. Perifere verwerkers kijken maar naar een paar argumenten in een overtuigende tekst, omdat zij niet gemotiveerd of niet in de gelegenheid zijn om de tekst centraal te verwerken. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat het onderwerp hen niet interesseert of doordat de lezer door de omgeving niet in staat gesteld wordt om de tekst zorgvuldig te kunnen lezen (bijvoorbeeld wanneer iemand zich in een ruimte met veel lawaai en drukte bevindt, waardoor het te moeilijk is om goed geconcentreerd te zijn). Daarnaast is er nog need for cognition, wat inhoudt dat sommige lezers van nature meer de neiging hebben om argumenten zorgvuldig af te wegen, terwijl er ook veel lezers zijn die dit niet zo nodig vinden. Perifere verwerkers worden overtuigd door het gebruik van vuistregels of perifere cues in een tekst. Er bestaan veel soorten vuistregels, zoals de de consensusvuistregel en de meer-argumentenvuistregel. Bij de consensusvuistregel gaat het erom hoeveel mensen tot dezelfde conclusie gekomen zijn. De perifere verwerker denkt: ‘Als veel mensen een product goed vinden, dan zal het wel zo zijn’. Een voorbeeld is: ‘Geld lenen om uw huis te kunnen betalen? Negen van de tien kopers doet het’. Perifere cues bestaan uit twee onderdelen: adjectieven en illustraties. Adjectieven hebben een positieve connotatie, wat de lezer kan overhalen. Een voorbeeld is: ‘Boek nu deze vakantie naar het mooie Spanje, een reis die georganiseerd wordt door een sublieme reisorganisatie’. De schuingedrukte woorden zijn hierbij de adjectieven. Illustraties zijn een bekende vorm van perifere cues, denk bijvoorbeeld aan een schattige kat die wordt afgebeeld bij een Whiskas reclame. Zo’n illustratie roept een plezierig gevoel op.
Deelname: we hadden de gelegenheid om opdrachten te maken voor de werkcolleges, maar die werden eigenlijk nauwelijks besproken. Ik heb de opdrachten dan ook niet vaak gemaakt, aangezien ik het belachelijk veel werk vond, zeker in vergelijking met de mate van behandeling van de antwoorden. Verder moesten we gemiddeld iedere week één of twee hoofdstukken uit een boek lezen en werden er daarnaast zo’n twee onderzoeksartikelen per week behandeld. Het boek, Hoeken et al. – Overtuigende Teksten, vond ik erg fijn: eindelijk was het eens mogelijk om de stof in het Nederlands te kunnen lezen, waardoor de vaktermen een stuk begrijpelijker worden. De artikelen verschilden qua moeilijkheidsgraad: soms kwam ik er (met behulp van het boek) redelijk goed uit, maar soms bleek de stof toch erg pittig te zijn. Er werd zelfs een artikel behandeld die een wiskundige achtergrond had. Hallo, ik studeer aan de faculteit Geesteswetenschappen?! In tweetallen moesten we een onderzoeksverslag maken, waarbij we een bestaande persuasieve tekst moesten analyseren. Eigenlijk maakten we hierbij als het ware een heel groot theoretisch kader: de gelezen literatuur moesten we toepassen bij de analyse. Marlot en ik hadden een tekst over stoppen met roken uitgekozen, een veelvoorkomend onderwerp bij overtuigende teksten.
Toetsing: twee tentamens en een paper.
Persoonlijke beoordeling: een 8. Ik vond het een heel boeiend vak: overtuigingsprocessen trekken mijn interesse. Al sinds het begin van het jaar heb ik naar dit vak uitgekeken. Ik vond vooral het eerste deel van de cursus leuk, de stof die we moesten leren voor het eerste tentamen. Dat ging over de verwerkingsprocessen, zoals ik hierboven heb uitgelegd onder het kopje ‘Inhoud’. Het tweede deel vond ik minder leuk, wat ging over onder andere metaforen en framing. Ik vond dit nogal vage onderwerpen, die niet echt zorgden voor verheldering betreft de leerstof. Daarnaast vond ik dat we soms wel erg veel moesten lezen in een week tijd. Zodra ik achterliep met de stof, was het vrijwel onmogelijk om de achterstand nog in te kunnen halen.
Afsluitingscijfer: 5,7.

Organisaties en Interactie:
Hoort bij: academische context keuze. Ik moet verplicht twee academische context keuzevakken volgen. Wat dat precies inhoudt, weet ik zelf ook niet helemaal. Aan de ene kant is het een vrije keuze, aan de andere kant is het verplicht… Het moet in ieder geval een vak zijn met betrekking tot mijn studie, met andere woorden: met betrekking tot communicatie. Hierbij kun je kiezen uit meerdere vakken, ik heb gekozen voor Organisaties en Interactie.
Inhoud:
bij Organisaties en Interactie leerden we over het leven binnen organisaties. Hoe zitten bedrijven in elkaar, welke rol speelt de manager en welke rol speelt de werknemer, wat is daarbij het verschil tussen vroeger en nu? Het begon met de Classical Approach, waarbij onder andere Fayol en Taylor belangrijke namen waren. Vroeger, denk aan (begin) twintigste eeuw, kwamen de eerste grote bedrijven op en was daarbij sprake van onder andere centralisatie en standaardisatie. Werknemers vormden met grote groepen één bedrijf, waarbij iedereen slechts een kleine functie had. Dit werk kon dus behoorlijk saai zijn, het bood geen uitdaging. Het zorgde echter wel voor een grote productie, wat in die tijd gewenst was. Pas later ontdekte men dat werknemers veel meer behoeften hebben dan slechts het krijgen van loon. Zo is uitdaging hebben in het werk is iets wat zorgt voor voldoening. Daarnaast zijn ook bijvoorbeeld veiligheid, sociale contacten en erkenning belangrijk, zoals gebleken is uit de piramide van Maslov. Dit stond in verbinding met de Human Relations benadering, waarbij werk vooral moet voldoen aan de eisen en behoeften van de werknemers. Tegenwoordig is er in de meeste bedrijven sprake van een soort middenweg, wat Human Resources genoemd wordt. Hierbij wordt gedacht aan de behoeften van de werkers, maar wordt ook het belang van het behalen van winst en voldoende productie niet vergeten. Daarnaast leerden we allerlei theorieën over verschillende managers, zo is er een theorie manager X en manager Y. Manager X is de strenge baas, die extreme controle uitoefent en de werknemers totaal geen vrijheid biedt, terwijl de werknemers van manager Y juist mogen deelnemen aan het denkproces van het bedrijf en zichzelf sterk kunnen ontwikkelen. Managers zouden een soort tussenweg moeten vinden: soms is het nodig om streng en rechtvaardig te zijn, maar werkers moeten zich wel op hun gemak kunnen voelen en zich kunnen ontplooien. Bij één van de boeken die behandeld werd, Morgan – Images of Organisation, bekeken we bedrijven aan de hand van metaforen. Zo sloot de machinemetafoor aan bij de Classical Approach en keken we met de cultuurmetafoor naar verschillende (onderliggende) normen en waarden van een organisatie.
Deelname:
de hoeveelheid werk die verricht moest worden voor dit vak, vond ik eigenlijk precies goed. Het was niet zoveel dat ik door de bomen het bos niet meer zag, maar het was ook niet te weinig. Iedere week lazen we zo’n drie à vier hoofdstukken uit de boeken en daarnaast hielden we ons bezig met een groepsopdracht. Met een groep van vier deed ik een onderzoek naar de Kindertelefoon (weet je nog wat dat is? Waar je vroeger naartoe kon bellen, wanneer je met een probleem zat). We legden de focus op het feit dat de werknemers bij de Kindertelefoon vrijwilligers zijn: hoe blijven zij gemotiveerd, terwijl ze geen loon krijgen? Hierbij keken we onder andere naar de sfeer en aangeboden uitdagingen in het bedrijf. We hielden verschillende interviews om aan informatie te komen. Ik vond het enorm leuk om zoiets te doen: eindelijk hielden we ons eens echt met interviews houden bezig, in plaats van dat we bijvoorbeeld een tekst moesten analyseren. Daarnaast bedacht iedereen voordat de tentamens eraan kwamen eigen tentamenvragen om te oefenen. In de werkcolleges werden de oefententamens behandeld.
Toetsing:
twee tentamens en een paper.
Persoonlijke beoordeling:
een 8,5. Dit vak vond ik heel leuk. Het leek niet echt op eerdere vakken die ik gevolgd heb, wat het eigenlijk best interessant maakte. Ten eerste ging het vak totaal niet over het onderwerp media (waar vooral mijn eerstejaarsvakken over gingen – saai!). Ook was de insteek van de manier waarop naar communicatie gekeken werd heel anders: het ging niet zozeer om communicatietheorieën, maar meer om de opbouw van bedrijven. Hierbij speelt communicatie natuurlijk een belangrijke rol, maar dit werd op een voor mij nieuwe manier weergegeven. Ook vond ik het onderzoek dat uitgevoerd moest worden heel interessant, omdat we eindelijk eens de praktijk indoken (door bijvoorbeeld echt interviews te houden). Vaak zijn de opdrachten die ik moet maken nogal vaag en zweverig, wat bij deze cursus niet het geval was. Daarnaast waren de docenten heel leuk en enthousiast, wat soort voor motivatie. Ik kan veel beter luisteren naar een vrolijke, begripvolle docent, dan naar een oude sok die de studenten maar als nietsnutten ziet.
Afsluitingscijfer: 
7,0.

Advertenties
1 reactie

Laat een reactie achter

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: